Zonnebloemen

Altijd amaretto

Castagnetta Cucchetta verhuisde sneller dan haar eigen huishuur. Met een Géricoultiaans rampspoor van valse geliefden, onuitbetaalde huisbazen, en bedrogen schriftvervalsers in haar sleepspoor, was ze ditmaal in een pand beland achter het oude station van Lambrate, net waar de trillende kabelbus 93 zijn draai nam. Stilaan waren we de poëtische onregelmatigheid van haar huisfeestjes beginnen gebruiken als tijdskalender: elk feest was de eerste dag van een nieuwe psychologische maandeenheid en betekende een mogelijke (en waarschijnlijke) rennovering van ieders vriendenkring. Nieuwe handen om te drukken, nieuwe lippen om te lezen, nieuwe ogen om te doorgronden, nieuwe gsm-nummers om wellicht nooit te bellen; nieuw nieuwer niets, en het verleden lag altijd nog ergens tussen de ongeleegde asbakken en het verdroog brood in haar vorige huizen.

Ik tikte mijn eerste glas prosecco aan met ene Didier, designer met baard, antilopekleurig brilletje en een volledig gebrek aan visie. “Ik ben designer,” had hij gezegd toen ik hem vroeg wat hem dreef in de stad. Toen liet hij twee seconden stilte. Moest er iets tot mij doordringen misschien? Ik ben designer. Tja, en ik ben strontraper achter de paardenkar. Je kon hier nom de dieu de straten leggen met de designers en de stilisten, en het asfalt pletten met hun talentloosheid. Ik wachte vol spanning op de eerste dag dat iemand zich aan me zou voorstellen als bouwvakker of naaister. Het gesprek evolueerde zich kwalijk richting gimmick en we gingen, zonder de ander te scandaliseren, gewoon uit elkaar. Dat kon op dergelijke feestjes. Als een spelletje dokter bibber: orgaantjes uit elkaar halen tot het begint te tuten. Daar wordt het interessant.

Zo kwam ik Gianni tegen in de badkamer. Het bad zelf was très Bertolucci, een marsepeingroene vloot met leeuwenpootjes, en daarin lag hij, één been over de rand geslagen, als een rozenvampier met kerstmantel in zijn kist. Ik zag dat hij aantekeningen maakte, waarschijnlijk over de voorbijglijdende avond. Hij was geen volledig onbekende. We hadden elkaar eens eerder ontmoet in Berlijn. Net als bij mij was zijn hoofd een losgeslagen kernprojector die mogelijke zinnen spuwde met de snelheid van drie stroboscoopbeelden per seconde. De enige manier om niets te vergeten, was alles meteen op te schrijven. Was dat niet ergens een beetje ziekelijk? Ik ging op de badrand zitten.

“Wat schrijf je?” “Een kerstverhaal,” zei hij, “met de kerstman in de hoofdrol.” En als wij een gesprek voerden dan ging dat ongeveer zo: “De kerstman wordt een dubbelzinnig personage. Volgens mij is de kerstman een vuilaard.” “Hij mishandelt zijn herten.” “Ja, en hij sluit ze op in kleine kooien, ververst hun stro niet, vergeet hen eten te geven.” “En hij drinkt.” “En stinkt uit zijn bek. Naar koffie.” “Hij poetst zijn tanden niet. Er kleven taartstukken in zijn baard.” “En hij heeft een eskimokuisvrouwtje dat hij uitbuit. Ze boent de vloer met een schaapsmagen zeemvel en slaapt in een houten bak bij de herten.” “Ja, en hij heeft een buitenechtelijk kind dat hij opsluit in zijn kelder!” “Dat verklaart zijn obsessie met kinderen en cadeautjes!” “Hij houdt van alle kinderen behalve zijn eigen monsterlijke offspring!” En zo kwamen we weer op een trauma-idee uit waar litatuurwetenschappers hun suikerstok op konden kapotbijten.

Toen we samen de salon weer binnenkwamen was het volk plots verdubbeld, de kamer leek gefotoshopt en de kleuren waren roder, groener, een discolamp zwaaide sireneachtig, de boxen knalden “In for the Kill” van LaRoux. Er had zich wat lui verzameld rond de kerstboom, waar de pakjes als brandhout klaarlagen. In een ander hoekje herkende ik Anna met de Pools-Spaanse saxofoniste Mirò, wat verderop stond iedereens undercover lover Vinny “turn my Vinyl” Vinini, dan de Roemeen Andrei die furore maakte met zijn karaoke van dragosta din tei, Fabio “Barbarossa” di Gruso met zijn getormenteerde mijnwerkersblik, en meer gezichten die ik herkende, of die zich hadden geschoren of geschminkt en nu op andere mensen begonnen te lijken, doppelgangers, effigiën, manakin. Ik vroeg Anna en Mirò of ze Castagnetta gezien hadden, toen er werd aangebeld. Een postkoerier met een express bestelling. Hij rolde een enorm pak binnen, waar opstond “voor Castagnetta” en “opgepast: breekbaar (hart?)” en “wie me opent mag me hebben” en toen Vinny het verpakpapier los scheurde en het karton verknipte, stapte uit het pak plots Castagnetta Cucchetta zelf tevoorschijn.

Haar ijdelheid maakte me plots ziek, iedereen begon te lachen en te applaudisseren, maar ik wou plots weg, weg van dit circus, de trap af en twee minuten later zat ik in een taxi richting my home sweet home, ik wou iets gaan schrijven dat vrij was van onzin en opgeblazen toneeltjes, met echte mensen van bloed en botten en niet van kerstmarspein, zoals de taxichauffeur bijvoorbeeld, met zijn dikke nek, militaire crewcut en donkerwit hoorapparaat. Ik wou vragen of hij Santa wou spelen in mijn kerstfilm, maar taxichauffeurs dienden met rust gelaten te worden. Ze brachten mensen naar huis, zelfs als het allemaal niets meer uitmaakte. De stad verdween achter gebruind glas, zijn zetels roken naar amaretto; een digestief voor de nacht.

Advertenties
Standaard

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s