experiment, expressionistisch, proza

Er zijn verschillende manieren om een kaasstuk te snijden.

We zullen het ook hebben over het bloemblad van de framboos.

Een baby stikt in een kerstbal. Glittertjes op de tong.

Waar komt die dennenstank toch vandaan?

Vuur.

Ik haal de trekker over. Spuit het straaltje water richting haar halsputje.

“Waar blijft de gerechtsdokter?” Het everzwijn wordt koud. We zitten rond het lijkje.

“De gerechtsdokter eet graag wildgebraad naar het schijnt. Hij doet zijn werk goed.”

Deurbel. In een schaarbeweging komt de man naar voren. Neer. Zijn vinger streelt de nekbol, een melkwit haviksei.

“Dood door verstikking.”

We snijden met figuurzaagjes een kistje uit het kerstboomhout.

Een put in de regen.

Spitwerk.

* * *

We zouden het ook hebben over het bloemblad van de framboos.

Ik kijk naar het glimmend schaarmes en de darmdraden die een everzwijngebraad vetwurgen. Oma strooit haar kruiden met natte vingers.

Koude koffie en taart. Niemand praat. Een droevig feest. Een bedroevend feest.

In de muur huilt een kind.

“Smetteloos,” zegt de gerechtsdokter. Hij dept mondhoeken af met de servetpunt van gesteven waspoederkatoen.

We zwaaien elkaar uit, vanachter ramen en vanachter autoramen.

* * *

Het bloemblad. Framboos.

Blond en zwarte oogjes, een ravenkind, een kind met een ravenhart. Moeder en vader waren troosteloos, het andere zusje hield van aandacht en danste één twee drie vier.

Dikke knietjes onder een rok van vlees. Wat had dat kind bezield?

Op de begrafenis had ze zitten zingen van schipper mag ik overvaren ja of nee, moet ik dan een cent op je tong leggen ja of nee. Ze kende haar klassiekers: Charoon met de zeis en een zak vol snoepveters.

“Mama waar is zusje heen?”

Moeder zei dat zusje naar de hemel was verhuisd, naar een paleis tussen de wolken.

“Waarom verdwijnt ze dan in de natte aarde?”

Moeder keek naar een dood roodborstje met opengeknakte vleugels. “Omdat het leven in de aarde drenkt alvorens op te stijgen, zoals regen alvorens te verdampen.”

Zusje zweeg want ze begreep het. Het was de dag waarop ze volwassen werd.

* * *

Frambozenbloemen.

Ik had het nooit begrepen. Het ging zo vlug. Die zakdoeken overal, dat rimpelloze water.

Er kwamen ganzen naar mijn brood. De vijver blonk vol goud en het was avond.

“Eenmaal verdwenen, blijft het gommen tot de vlek verdwijnt,” zei het vrouwtje dat haar mouwen stond schoon te vegen in het oeverwater.

Alles werd bijbels. Ik dacht terug aan de fluitende frietketel en het frituurvet om half vijf. Dat plakkend keukenblad en de uienrokken op de vloer.

Uren had ik gepoetst. De spikkels moesten verdwijnen.

Standaard