proza

De man met de reigerbek

Hoe minder ik te zeggen heb, hoe sterker de drang wordt om te schrijven. Ik draag een boek in mij, maar het is wellicht weer een soort schijnzwangerschap, een opgeblazen malaise. Steeds weer zwaait mijn sikkel over de donkere oceanen van mijn planeet. Een droeve hysterie. Veel meer dan wat schuim spat er niet op mijn zeisblad. Op mijn stranden spoelt niets bruikbaars aan. Ik wandel er vaak met mijn blote tenen tussen de zandkorrels en de scherpe stukjes spinulaschelpen. Dan ga ik wanhopig op zoek naar een bruikbaar element. Vandaag rol ik een natgeweekt tapijt open in de hoop een geheim te vinden.

“Wie een geheim verklapt, verdient de strop,” zei de meter van een vriend me eens. Het ging bergaf met haar in die periode. Haar opinies werden snel even bitter als de jenever die ze dronk. Ik ging haar vaak bezoeken ook als hij niet mee was. Ze dacht naar het einde toe dat ik en niet hem haar kleinzoon was. Toen ze stierf, schonk ze me dan ook haar dagboeken, die ik nu pagina na pagina tot mij neem als was het een apocrief evangelie. Dertien februari 2010: “De zon hangt in de lucht als een vuurbol, maar toch is het koud. Mijn hoofd draait. Ik moet dwars liggen. In de zetel scherm ik de zon af met mijn hand, maar het licht straalt er dwars door heen.” Doordat haar waarnemingsvermogen is doordrongen van een onbegrijpbaar besef van sterfelijkheid, krijgen haar zinnen een bijbelse weerklank.

Tot mijn grote verbazing verandert haar dagboek plots van toon na 21 augustus 2011. Op die dag moet ze een bovennatuurlijk ervaring gehad hebben, waar ze evenwel nooit rechtstreeks naar verwijst. Ze begint te vertellen over de lotgevallen van een mysterieuze man “met de bek van een reiger” die als held fungeert in een soort science fiction-novelle, waar zij dan zelf naar voren treedt als één van de anti-helden. 18 november 2011: “Sandor [de reigerman die ik eerder vermeldde] hield er niet van als een maitresse ’s ochtends, wanneer hij nog lag wakker te worden, tussen zijn onderbroeken scharrelde. Dat deden ze vaak. Vooral met zijn vuil ondergoed. “Stop daarmee, Sandrine,” zei hij op zo’n moment, “als je geld wil, wel mijn broek ligt op de vensterbank. In de zijzak zitten nog een paar franken. Koop er maar wat kaugomballen mee bij Jacqueline. Je adem stinkt nog naar de wijn van gisteren.” De minnares fronste verontwaardigd haar wenkbrauwen, maar stiekem genoot ze van dergelijke berispingen.” Ik hield van deze passage. Elk fragment, maar dit fragment in het bijzonder, leek te puren uit waargebeurde episodes. Alsof ze al haar herinneringen nog een laatste keer wou doen opleven in een totaal vervreemdende setting. Sandor, de jonge reiger, was de tragische held die altijd net te laat kwam bij zijn reddingen. Hij lag de meerendeel van het verhaal in bed met één of meerdere hoertjes, die hij entertainde met valse versies van zijn heldendaden. Een speciale rol in het verhaal was weggelegd voor de oudere Phage, (naar ik vermoedde dus het alter ego van mijn vriend’s grootmoeder), die ernaar snakte om door de reiger net niet op tijd te worden gered, en onder een stervende appelboom in zijn gespierde pluimarmen haar laatste adem uit te blazen. Het was niet duidelijk of de reiger met al zijn minaressen een personage was dat enkel in het hoofd van Phage bestond, of of hij echt haar vertelwereld bewoonde. Hoe het ook zij, ik vond dat het verhaal het in zich had om een goed verhaal te worden. Geen wereldliteratuur, maar wel gewoon een goed verhaal. Het bezat de geladen epiek van een Calvino, de postmoderne kwinkslag van een Cortazar, het femministisch prikkelende van een Atwood, en speelde haasje-over met de realiteit zoals in een rijpe Ballard of een Philip K. Dick.

Ik heb het verhaal nu bijna integraal (op tien dagboekpagina’s na) overgetypt in Times New Roman 12, en kom uit op een bemoedigende 79 pagina’s. Ik worstel dagelijks met de existentiële vraag of ik het verhaal mag opsturen naar een uitgeverij. Nu ik haar dagboeken heb geërfd, bezit ik dan ook de inhoud van haar geschriften? Het boek is genialer geworden dan ik ooit had durven hopen. Ik ben er stellig van overtuigd dat ik nooit een boek zal schrijven dat qua literaire kwaliteiten in de buurt komt van wat mijn vriend’s grootmoeder in haar stervensvisioenen heeft te schrift gesteld. Het lijkt me dan ook maar normaal dat ik haar verhaal voor mezelf houd, zelfs al is de oude vrouw op zich ook weer een personage dat enkel in mijn verbeelding bestaat.

Ik denk dat ik haar enkel op deze manier eer aan doe, en haar enkele centimeters richting de grassige afgrond van de Realiteit duw.

Advertenties
Standaard
afscheid, improvisatie, pixelpap, proza, queer, sustained metaphor

Faggots

’s Avonds schoenen kopen en de dag erna beseffen dat ze een hak hebben. Wat daglicht doet met de dingen. Ik voel me een zeemeermin, elke voetstap een rotsprik in mijn voetzool. Zouden we niet allemaal onze stem en staart aan een heks verpatsen in ruil voor het hart van een getormenteerd kapitein, een bebaard gezicht dat uithuilt op onze schouder, snikkende zoutglimmende schouders vol lichtbruine vlekjes en papegaaientatoeages… Ik was al halfweg bij de metro toen ik Daniele tegen het lijf liep. Mijn nieuw schoeisel had hij natuurlijk meteen opgemerkt. “Nice shoes,” zei hij, “had mijn grootvader ook aan voor ze hem in zijn kist schoven.” Daniele verkoos het label faggot boven het politiek-correcte “gay”; hij was van mening dat er niets “gay” was aan zijn bestaan. “Nu je het zegt,” zei ik, “ze kwamen me al bekend voor. Maar luguber is toch de nieuwe erotiek? En zijn ze niet een heel klein beetje Fred Astaire?” Ik deed enkele tapdanspasjes na uit “I can’t be bothered now”, de openingsscène van A Damsel in Distress. Daniele floot het melodietje van Gershwin na; hij kende zijn klassiekers. Dan toch wat vrolijkheid. “De elegantie van een skelet aan koordjes. Dat doe ik je niet na. Alles goed? Waar ga je naartoe?” “Fitness. Ik wil zwemmen. Heb nood aan een driedimensioneel bewegingsvlak.” “Kun je die steriele chloorgeur dan uitstaan? Als ik zwem denk ik altijd dat er er elk moment een lijk kan komen bovendobberen.” “Zachte kreeften op sterk water –” “Ik droomde eergisteren dat ik op de bodem van een zwembad was vastgeketend aan een bronzen fallus. Boven mij zwommen naakte mannen die ik ooit vaag heb gekend of geneukt, ze gleden langs het wateroppervlak in het zwartgouden licht van een stervende zon. Ik kon het gezicht niet herkennen, enkel hun lichaam. Het waterplafond waarlangs ze gleden blonk als een nat filmlint.” “Klinkt traumatisch. Had je iets speciaals gedaan de dag ervoor? Een film gezien? Fritz Lang? Fellini?” “Nee, integendeel. Ik was heel vroeg gaan slapen, maar voelde me wel de hele dag angstig en paranoide.” Zo zag hij er ook uit; fel vermagerd, met afgeknaagde nagelranden, zwartgrauwe oogkassen, en een haarlijn die in een paar maand tijd een handbreedte naar boven was verschoven. Conversaties met Daniele waren parabolen die exponentieel daalden richting het absolute nulpunt. Zijn jeugd was voorgoed voorbij. Het was duidelijk uit zijn fascinatie en obsessie met thanatossymboliek dat de sluipende dood al in hem onderdak had gevonden, maar ik vond dat hij er zelf maar over moest beginnen. “Laten we eens samen iets eten deze week?” zei hij, en dit wees erop dat hij helemaal aan de bodem zat, dus ik zei, “je weet me wonen,” waarna we afscheid namen. De scherpe schaduwlijn van flat 34 sneed hem uit mijn zicht met de precisie van een cuttermes.

Standaard
hinkelkruis, La cuisine doit fumer, metamine, oraliteit, proza, queer, steampunk

Mayamalavagaula Raga (played at three speeds)

1.

Ik had een studieboek Carnatische saxofoonmuziek gevonden, en gisteren besloot ik om me daadwerkelijk enkele Zuid-Indische raga’s meester te maken. Ik spreidde mijn provisoor tapijtje uit op het grasperkje van een voetgangerseiland, aldus de door het boek voorgeschreven rituelen volgend. Man sitzt also mit gekreuzten Beinen auf dem Fussboden, wobei der Schallbecher des Instruments auf dem Knöchel ruht. Ik stak een vers riet op. Om de bomen heen had de smog een parelmoeren waas geweven, waarachter bussen ronddraaiden als toeterende hamerhaaien. Het verkeer blies, vloekte en rookte dat het een wilde lust was, maar het klonk allemaal zo gedempt dat het welhaast de tampura leek, het dreuninstrument dat idealiter mijn spel moest begeleiden. De eerste zeven studies vormden een cyclus opgedragen aan Sarasvati, de Godin van Muziek, Kunst en Studievermogen. Op pagina 18 stond een afbeelding van Hare Vierarmige Heiligheid: ze droeg vooral juwelen en keek bedachtzaam, met neergeslagen wimpers, naar de vingers waarmee ze op de vina tokkelde. Met haar vrije handen streelde ze de kuif van een kraanvogel, en hield ze tussen duim en wijsvinger een roos vast.

Ik had net mijn instrument opgeborgen toen ik Samuel tegenkwam, engel met de looks van een naziskin, of althans een kaalgeschoren Farizeeër. Hij had zich indertijd aan mij geïntroduceerd door zijn buikspieren zo te bundelen dat ze een verlengde leken van zijn penisschacht. Hij bood me whiskey aan, niet van de minste, en stelde voor om in Parco Sempione te gaan spelen. Matteo was mee, Calabrese marihuanaverslaafde en student filosofie met kapotgebeten nagels en een fotografisch geheugen voor autoplakken en kerkplattegronden. Hij bespeelde een gevonden viooltje met twee en halve snaar, en schreef vooral aforismen. Er was ook nog een gast mee die ik niet kende, ene Xhamal, djembeespeler met Albanese roots en een gebroken voortand. Als hij grijnsde leek hij op een hyena, maar ook hij was goed ter harte, zoals de meeste Wir Kindern vom-types.

2.

Op weg naar bus 94 aan Santa Sofia, sprak Samuel elke vrouw aan die hij tegenkwam. Hij verzamelde glimlachjes. Eén glimlach kon zijn dag goedmaken. Hij volgde een zestiende-eeuwse eerdoctrine; wanneer hij aan het eind van een gesprek eerverlies had geleden door toedoen van een ander, vond hij dat hij eigenlijk het recht zou mogen hebben om de ander een rapier tussen de ribben te planten. Matteo honkte achterop, en Xhamal vertelde me over zijn woelige laatste levensjaar. Hij had met een paar vrienden lange tijd een pand gekraakt in Rozzano (Milanese bronx) waar ze op zolder een werkplaats-labo hadden ingericht voor kinderen en kinderlijke geesten. De gemeente had hen echter verdreven en het gebouw laten slopen, en toen was hij, zonder precies te vertellen waarom of op welke deus-ex-macchina-achtige manier, in Denemarken beland, waar hij bij een steampunkcommune de beginselen van de mechanische robotica had opgepikt. Hij werkte aan een perpetuum mobile, beweerde hij, en ook aan enkele robots. Het klonk waarschijnlijk geloofwaardiger dan hij bedoelde, maar hij nodigde me toch oprecht uit om zijn werkplaats eens te gaan bekijken. Als hij het zo op de spits dreef, kon ik natuurlijk moeilijk weigeren.

Drie uur later, San Lorenzo. We zaten op de sepiakleurige trapjes voor de basiliek. Het park was leuk geweest, maar de whiskey begon nu toch zijn tol te eisen. Xhamal moest Samuel ondersteunen toen de sbirri hem kwamen halen. Hij was Matteo te lijf zijn gegaan met blote bast en vuisten, midden op het plein, aan de voet van het immer stoïcijnse standbeeld van keizer Constantijn, zogezegd om te spelen. Dat had Matteo ook bevestigd door met nabloedende lip voor de flikken een riedeltje te spelen op zijn viool, maar daar namen ze geen genoegen mee. 

3.

Volgens een nazwetende Matteo beschouwde Samuel zich als een reïncarnatie van de Sumerische Dumuzi, via de Feniciërs als “Adon” aan de Grieken overgedragen als Adonis, halfgod voor wie vrouwen samen plachten te komen op daken om te huilen, en zaad te planten in potgrond. Hij geloofde in zelfbestuiving, sibi-seksualiteit, heilige masturbatie; in de vervloeking van wie enkel van zichzelf houdt. Samuel las meer dode talen dan levende en overleefde als vertaler van occulte manuscripten, werd door derden uitbetaald in zakjes poeder en klompjes bruin goud. “Samuel is een demoon-engel,” zei Matteo, terwijl hij een op een nagel gedraaid stuk hasjisj verbrandde met een glitterende jumbozippo, “hij is zowel goed als slecht, maar altijd oprecht in zijn keuzes, zelfs als hij de kant van het kwade kiest.” De halfgod had drie weken geleden de Alfa Spider van zijn ex met een vuilbakdeksel bewerkt, en moest sedertdien minstens een kilometer uit haar buurt blijven. “Het gaat nu snel bergaf met hem,” zei een jonge punkabbestia met fluovlecht, en ik vroeg me terecht af wat zij in mijn verhaal kwam doen. Ik vertelde haar dat ze bewoog als een danseres, wat ze bevestigde door nonchalant, sigaret nog in haar mond, een reeks balletposities uit te voeren. Ze schoof de ongeloofwaardige these naar voor dat ze aan de balletschool van La Scala studeerde, maar er sprak geen twijfel uit haar elegantie.

Xhamal besloot Samuel te gaan zoeken, die was terug gekomen om plots weer te verdwijnen, en misschien in staat was tot onaardige dingen deze avond. Aan mijn rechterzijde was een Tunisische vluchteling inmiddels aan een bizar vrijheidslied begonnen op Matteo’s viool. Hij ijlde: ‘Egitto libero, Tunisia libero, Gheddaffi libero!’ Vrijheid was immanent, het magische toverwoord, het sesam-upen-u voor de grotschijven van het hart. Ik denk voorlopig nog steeds dat vrijheid in de mens zit, maar ik kan me natuurlijk vergissen. Er hadden zich er wel meer vergist. Volgens Matteo was vrijheid een grote, roestige nagel die naar de zon was gericht en geen schaduw afwierp. “Als ik schrijf, moet mijn taal dat beeld benaderen,” zei hij. Er kwam een man voorbij op rolschaatsen, joelend, en naakt op een lapje stof na. “De lezer moet het gevoel krijgen blootsvoets te moeten verderdansen op een oneffen bodem, tot de laatste punt.”

Standaard
experiment, expressionistisch, proza

Er zijn verschillende manieren om een kaasstuk te snijden.

We zullen het ook hebben over het bloemblad van de framboos.

Een baby stikt in een kerstbal. Glittertjes op de tong.

Waar komt die dennenstank toch vandaan?

Vuur.

Ik haal de trekker over. Spuit het straaltje water richting haar halsputje.

“Waar blijft de gerechtsdokter?” Het everzwijn wordt koud. We zitten rond het lijkje.

“De gerechtsdokter eet graag wildgebraad naar het schijnt. Hij doet zijn werk goed.”

Deurbel. In een schaarbeweging komt de man naar voren. Neer. Zijn vinger streelt de nekbol, een melkwit haviksei.

“Dood door verstikking.”

We snijden met figuurzaagjes een kistje uit het kerstboomhout.

Een put in de regen.

Spitwerk.

* * *

We zouden het ook hebben over het bloemblad van de framboos.

Ik kijk naar het glimmend schaarmes en de darmdraden die een everzwijngebraad vetwurgen. Oma strooit haar kruiden met natte vingers.

Koude koffie en taart. Niemand praat. Een droevig feest. Een bedroevend feest.

In de muur huilt een kind.

“Smetteloos,” zegt de gerechtsdokter. Hij dept mondhoeken af met de servetpunt van gesteven waspoederkatoen.

We zwaaien elkaar uit, vanachter ramen en vanachter autoramen.

* * *

Het bloemblad. Framboos.

Blond en zwarte oogjes, een ravenkind, een kind met een ravenhart. Moeder en vader waren troosteloos, het andere zusje hield van aandacht en danste één twee drie vier.

Dikke knietjes onder een rok van vlees. Wat had dat kind bezield?

Op de begrafenis had ze zitten zingen van schipper mag ik overvaren ja of nee, moet ik dan een cent op je tong leggen ja of nee. Ze kende haar klassiekers: Charoon met de zeis en een zak vol snoepveters.

“Mama waar is zusje heen?”

Moeder zei dat zusje naar de hemel was verhuisd, naar een paleis tussen de wolken.

“Waarom verdwijnt ze dan in de natte aarde?”

Moeder keek naar een dood roodborstje met opengeknakte vleugels. “Omdat het leven in de aarde drenkt alvorens op te stijgen, zoals regen alvorens te verdampen.”

Zusje zweeg want ze begreep het. Het was de dag waarop ze volwassen werd.

* * *

Frambozenbloemen.

Ik had het nooit begrepen. Het ging zo vlug. Die zakdoeken overal, dat rimpelloze water.

Er kwamen ganzen naar mijn brood. De vijver blonk vol goud en het was avond.

“Eenmaal verdwenen, blijft het gommen tot de vlek verdwijnt,” zei het vrouwtje dat haar mouwen stond schoon te vegen in het oeverwater.

Alles werd bijbels. Ik dacht terug aan de fluitende frietketel en het frituurvet om half vijf. Dat plakkend keukenblad en de uienrokken op de vloer.

Uren had ik gepoetst. De spikkels moesten verdwijnen.

Standaard