experiment, improvisatie, oraliteit, sustained metaphor, Zonnebloemen

Twee woordlappen in averechts tricot

Ik moet de tijd beter leren afbakenen. Wat ik achterlaat is één grote steppe zonder gewassen. Ieder uur een vierkante meter verdroogde grond bij. Lap na lap. Vandaag zal ik schrijven, denk ik dan wanneer ik wakker word; ik zal een olijfboompje van woorden planten, maar het internet, en facebook in het bijzonder, is een stal waar we in onze eigen tijdmodder ploeteren: elke klik een stompende hoef in onze eigen stront. Mocht elke nutteloze muisklik een steek van een breinaald zijn, dan kon de hele wereldbevolking dagelijks een sjaal naar de maan en terug breien. Een kerstslinger tussen de sterren, nonchalant om de hals van ons verkouden zonnestelsel geslagen, een oude zwarte weduwe nippend aan de warme melkweg. Ik maak me geen illusies over de positieve afwikkelingen van een dergelijk zelfbewust gebruik van onze heilige muisvinger. Elke avond heb ik dagelijks tenminste zeventien uur geleefd. Zeventien uur. Dat is zeventien keer de wijzerplaat rond: zeventien rondjes fietsen in een velodroom van 20 kilometer diameter. Wellicht genoeg tribune om de hele Chinese volksrepubliek een zitplek te geven. Eén miljard zevenhonderdduizend Chinezen die allemaal met een rood vlaggetje zwaaien en me aanmoedigen. Ik zou nogal kuiten kweken. Vingers hebben geen kuiten, hoogstens kwabben onder de koten.

Ik moet de tijd leren omheinen. Wat ik achterlaat is dorre grond, met her en der een verkalkt en verzakt beeld. Mijn vijvers zijn troebel, mijn gedachten ondiep, mijn aarzel reëel. De inspiratie manifesteert zich binnenin een serre met bedompte glazen, klapwiekend naar een mogelijke uitweg, een mogelijk aan scherven geslagen gat. Alsof schrijven enkel nog als randactiviteit kan bestaan. Even wat stoom aflaten in notepad, wat wolken uit een lauw wordende badkuip. Uit die stoom moet dan maar iets naar boven komen, een spook, een figuur met mes. Nee, zolang ik deze poëtica aanwend, zal ik geen grote roman achterlaten. Toen ik 18 jaar was, wou ik een boek schrijven. Toen ik 20 was, wou ik schrijver worden. Nu wil ik enkel nog gewoon schrijven, zonder nadruk op wat ik ben of wat ik voortbreng. Het equivalent van wat wol, verstrikt in de distels langs een wegberm. Je kijkt er wel voor door het raam als je passeert, maar rijdt toch gewoon verder, je evenwel afvragend wie het was die daar in de velden was verdwenen.

Standaard
afscheid, improvisatie, pixelpap, proza, queer, sustained metaphor

Faggots

’s Avonds schoenen kopen en de dag erna beseffen dat ze een hak hebben. Wat daglicht doet met de dingen. Ik voel me een zeemeermin, elke voetstap een rotsprik in mijn voetzool. Zouden we niet allemaal onze stem en staart aan een heks verpatsen in ruil voor het hart van een getormenteerd kapitein, een bebaard gezicht dat uithuilt op onze schouder, snikkende zoutglimmende schouders vol lichtbruine vlekjes en papegaaientatoeages… Ik was al halfweg bij de metro toen ik Daniele tegen het lijf liep. Mijn nieuw schoeisel had hij natuurlijk meteen opgemerkt. “Nice shoes,” zei hij, “had mijn grootvader ook aan voor ze hem in zijn kist schoven.” Daniele verkoos het label faggot boven het politiek-correcte “gay”; hij was van mening dat er niets “gay” was aan zijn bestaan. “Nu je het zegt,” zei ik, “ze kwamen me al bekend voor. Maar luguber is toch de nieuwe erotiek? En zijn ze niet een heel klein beetje Fred Astaire?” Ik deed enkele tapdanspasjes na uit “I can’t be bothered now”, de openingsscène van A Damsel in Distress. Daniele floot het melodietje van Gershwin na; hij kende zijn klassiekers. Dan toch wat vrolijkheid. “De elegantie van een skelet aan koordjes. Dat doe ik je niet na. Alles goed? Waar ga je naartoe?” “Fitness. Ik wil zwemmen. Heb nood aan een driedimensioneel bewegingsvlak.” “Kun je die steriele chloorgeur dan uitstaan? Als ik zwem denk ik altijd dat er er elk moment een lijk kan komen bovendobberen.” “Zachte kreeften op sterk water –” “Ik droomde eergisteren dat ik op de bodem van een zwembad was vastgeketend aan een bronzen fallus. Boven mij zwommen naakte mannen die ik ooit vaag heb gekend of geneukt, ze gleden langs het wateroppervlak in het zwartgouden licht van een stervende zon. Ik kon het gezicht niet herkennen, enkel hun lichaam. Het waterplafond waarlangs ze gleden blonk als een nat filmlint.” “Klinkt traumatisch. Had je iets speciaals gedaan de dag ervoor? Een film gezien? Fritz Lang? Fellini?” “Nee, integendeel. Ik was heel vroeg gaan slapen, maar voelde me wel de hele dag angstig en paranoide.” Zo zag hij er ook uit; fel vermagerd, met afgeknaagde nagelranden, zwartgrauwe oogkassen, en een haarlijn die in een paar maand tijd een handbreedte naar boven was verschoven. Conversaties met Daniele waren parabolen die exponentieel daalden richting het absolute nulpunt. Zijn jeugd was voorgoed voorbij. Het was duidelijk uit zijn fascinatie en obsessie met thanatossymboliek dat de sluipende dood al in hem onderdak had gevonden, maar ik vond dat hij er zelf maar over moest beginnen. “Laten we eens samen iets eten deze week?” zei hij, en dit wees erop dat hij helemaal aan de bodem zat, dus ik zei, “je weet me wonen,” waarna we afscheid namen. De scherpe schaduwlijn van flat 34 sneed hem uit mijn zicht met de precisie van een cuttermes.

Standaard