Zonnebloemen

Als een man een klok verwaarloost

1.
Als een man een klok verwaarloost,
Zal hij een worm vinden in een appel.

2.
Als een man nooit naar de wolken kijkt,
Zal hij inslapen met koude voeten.

3.
Als een man een goudvis verwaarloost,
Zal hij de knopen verliezen van zijn mouw.

4.
Als een man nooit zingt,
Zal hij dansen in zijn dromen.

5.
Als een man zijn lichaam verwaarloost,
Zal hij gewroken worden door zijn geest.

(vrij naar “The New Poetry Handbook” van Mark Strand)

Advertenties
Standaard
Zonnebloemen

Vlamingenhaat onder Vlamingen floreert

Image

Opmerkelijk nieuws uit Italië: aan de Universiteit van Macerata studeerde Gabriele Ryu op 21 juni laatstleden af met een thesis getiteld “Odiare i simili: il caso delle Fiandre” (vert: “Haten wie op je gelijkt: de casus Vlaanderen”). De jongeman met Vlaams-Koreaanse roots stelde een corpus samen van een paar duizend commentaren gevonden op nieuwswebsites, twitterkanalen, en fora, en paste daar een gesofisticeerde corpusanalyse op toe. Hij kwam tot enkele bijzonder interessante conclusies.

*

“Ik vond inspiratie in de Zibaldone van Leopardi,” legt de student uit. “Dit is een bundeling van bijzondere heldere dagboekfragmenten die de Italiaanse schrijver Leopardi schreef tussen 1817 en 1832. Op een bepaald moment werpt hij op dat haat misschien wel een gevoel is dat ontstaat uit gelijkaardigheid eerder dan uit verschil. Hij vermeldt bijvoorbeeld het lichte gevoel van gène dat in elke talige gemeenschap ontstaat bij het horen van welbepaalde dialecten. Hier is niet de haat voor de ander aan het werk, stelt hij, maar de haat voor wie ondraaglijk veel gelijkt op jezelf.” Die gedachtegang verder volgend, kwam Gabriele uit op een interessante hypothese. “Wanneer een persoon zich wil distantiëren van een groep waarmee hij veel gemeen heeft, botst deze vaak op vooroordelen van derden, die hem alsnog met deze groep verbinden. Dit zorgt dan voor sociale frictie binnen een gemeenschap. Hetzelfde mechanisme zien we bij homo’s die verwijfde homo’s haten, hipsters die opzichtelijke hipsters haten, of voetbalsupporters die andere voetbalsupporters haten, ondanks het feit dat ze op de kleur na net hetzelfde gekleed zijn.”

Het klonk allemaal wel aannemelijk, maar hoe kon hij zijn intuitie empirisch hard maken? “Dankzij mijn erasmusuitwisseling aan de KUL vond ik vond inspiratie bij recente studies in corpuslinguistiek en data mining. Ik onderzocht eenvoudigweg duizenden instanties van de woorden Vlaams, Vlaanderen en Vlaming, en deed hetzelfde voor Walen en Brussel, en keek daarna hoe deze woorden werden gebruikt. Al sterk tekende zich een patroon af: wanneer Vlaamse commentaristen het hebben over Vlaanderen of Vlamingen in de commentaarsectie van een artikel met Vlaamse thematiek, is er in vier op de tien gevallen duidelijk een negatief sentiment voelbaar. In zes op de tien gevallen is een flamingant gevoel waarneembaar.” Deze cijfers lijken niet heiligmakend, maar dit verandert wanneer we er de data over Brussel en Wallonië bijnemen. “In Brussel en Wallonië is een dergelijke polaire lading zo goed als onbestaand. Het is te zeggen: in het geval van Brussel is er een overwegend haatdragende of pessimistische emotie voelbaar, maar daar kan moeilijker worden uitgemaakt tot welke etnische groep de commentator behoort. Bij Wallonië merken we in één op de twee gevallen een vrijwel neutrale houding tegenover de gemeenschappelijke taalgroep.” En dit is meteen ook het belangrijkste besluit dat Gabriele uit zijn onderzoek kon trekken: “In commentaarsecties van Vlaamse kranten en Vlaamse Twitterkanalen wordt er bijna nooit op een neutrale manier naar Vlaanderen verwezen, alsof sociaal verwacht wordt dat wanneer iemand het V-woord in de mond neemt automatisch ook een positie inneemt.”

Gabriele Ryu werd in Geraardsbergen geboren (zijn vader is Vlaming met Koreaanse origine) maar verhuisde op zijn vijftiende naar Macerata, een stad in de regio van de Marche. Acht jaar later studeerde hij, zoals eerder impliciet werd vermeld, zes maand lang in het pittoreske Leuven. “Het was een waanzinnig interessante periode voor mij, maar dan vooral vanuit sociologisch perspectief. Ik denk niet dat er een andere taalgemeenschap is in Europa waar dergelijke haat-mechanismes aan het spel zijn als in Vlaanderen.” De jonge Italo-Belg bezit duidelijk de noodzakelijke, frisse maar arrogante vurigheid van elke jonge academicus. Of hij in de toekomst nog terug zou willen komen naar Vlaanderen? “Waarschijnlijk niet. Ik denk dat er voor de postmoderne en avontuurlijke jongvolwassene interessantere landen zijn om anno 2013 te wonen. Ik heb ook ondervonden dat er in de landen waar de crisis het hoogst is  een sociale cohesie en een politiek bewustzijn aan het tot stand komen is dat in Noord-Europa nagenoeg onbestaand is.”

Standaard
Zonnebloemen

Slaap zit aan de binnenkant

Wat te denken van mensen die eisen dat je hun schoenen uitdoet in hun huis, maar zelf zonder schroom op je tapijt komen lopen?

Ik heb een scherpe reeks herinneringen verbonden aan de sensatie van een onaangeraakt glas champagne, muurtegels met bloemetjes en wollige tapijten.

Ik hou van mensen die de moeite nemen om kommetjes te vullen met dingen als ansjovis of gepekelde olijven, en niet gewoon het potje op tafel zetten.

“Bon wat zijn de plannen?”
“Wat wil je drinken? Kahve, chai?”
“Doe maar een chai latte. Weet je hoe je dat moet maken?”
“Ja. Of wil je wat champagne?”
“Nee, bedankt.”
“Kom, ik heb nog een fles openstaan van gisteren.”

(Hij deed de frigo open, nam de desbetreffende fles, en goot 20cl uit in een wijnglas. Ik weet niet of ik de geste moet apprecieren of net verachten. Ik zie dat wijnglas nog duidelijk voor me, maar kan niet meer zeggen of het de hele duur van het verhaal gewoon op tafel blijft staan of plots gewoon verdwijnt.)

“Heb je ooit een vrouw gezien met witte naaldhakken?”
“Nooit, nee.”

We zaten samen een schilderijtje te bekijken waar niet één, maar drie dergelijke dames op stonden. Het leek of ze net hun taxi hadden betaald, en op het punt stonden de richting op te lopen van de oranje gloed in de achtergrond, een soort quartier latin. Iets in die kleur suggereerde jazz, rinkelende lachjes en vers geknipte sigaren. Het was een warme lente-avond en het asfalt blonk na van de regen.

“Krijg je ook geen zin om daar heen te wandelen?”

Ik nam een wandelstok uit een staander en liep ermee richting het balkon.

“Is dit echt ivoor?”
“Mijn vader koopt dat tweedehands.”
“Het ruikt nog naar olifanten.”

“Heb je ergens tabak liggen?”

“Ik hou van hun witte hakken.”

Later, in een droom.

Mijn ogen kijken binnen in een camera obscura vol tollende scherpschuttersrozen. Het apparaat zag men vroeger ook wel eens, in oogartsenpraktijken van de vorige eeuw.

(“Staat het sterretje in of buiten de cirkel?” Dat gek, hakkelend getuut. “In de buitenste cirkel.” “En nu?” “Erbuiten.” “Nu dan?” “In het hart van de cirkel.”)

We zoomen uit en de zwarte achtergrond krijgt de kleur van menselijk vlees.

In mijn droom was Jersey kaalgeschoren. Ze zat in kleermakerszit met een witte kaketoe op haar schouder. Ze droeg een blauwe polo met witte knoopjes. Tussen ons in lag een picknickdeken opengespreid, in het midden
een gevierendeelde ananas (geroosterd),
bokalen met worstjes en citroen,
een botervlootje,
brood,
een kruik madeliefjes,
en bij wijze van melkkan
een porceleinen koala met een mond als giettuitje.

Ik neem een douche om wakker te worden, maar slaap zit aan de binnenkant.

Als ik de lift neem, hoor ik bloed pompen: kada-doem, kada-doem, kada-doem, kada… De halsslagader van mijn woonst.

De tram is een uitgerokken slaapkamer. Wakkerworden in accordeonformaat.

Standaard
Zonnebloemen

x en y

x-en-y

 

 

 

 

 

 

 

ik zie ze voor mij
ze zijn apart en samen
alsof ze door een
telekinetisch mirakel
schijnbaar toevallig
aan eenzelfde tafel zijn beland

ja, ik zie ze nu echt
duidelijk voor mij
hij en zij
x en y
een vergelijking met twee onbekenden,
een breuk waarvoor Q, ons reëel getallenstelsel,
weinig tot geen uitkomsten biedt

de vraag is: wie doorbreekt de stilte
wanneer elke nieuwe zin
door het raam valt
als een baksteen

ik zie ze duidelijk voor mij
hij en zij
x en y
veel valt er niet te zeggen
als je elkaar niet kan oplossen
veel wordt er niet geglimlacht
als je gebit in een cocktail
op sterk water ligt

Wat moet er toch gebeuren
om ons uiteen te drijven?
een wolvenplaag
een tektonische hinderlaag
een schroef van een neergestorte tupolev

hoekjes van het viltje pulken
de vlekken op de tegels tellen
draaien met het glas
tot het bier vlak wordt als honing
ja, dat wel,
de een naar links, de ander naar rechts kijkend
de oren en niet de ogen loodrecht tegenover elkaar
egyptische profielen van zwijgzaamheid

denk je aan wat je gaat zeggen
terwijl de ander spreekt?
of denk je al aan straks
aan de bedcompositie
beiden knus in foetushouding
als de helften van een opengesneden appel
je hart een half klokhuis
(erg pittig is het nooit geweest)

niemand kan de woorden uitspreken
om er een eind aan te maken
de arm die ik over je schouder sla
is een vierkantswortel
maar ondanks alles blijven we
ondeelbaar en onverdeelbaar

we gebruiken nooit de woorden wij en ons,
het gaat altijd over straks en vanavond maar nooit
over vandaag
de enige constante is het toiletbezoek,
ik ben even naar het toilet,
waarna je je handen wast,
in de spiegel kijkt,
en je laatste woorden lipleest,
ik ben zo terug
zeg het
zeg het zo
zeg ik ben even naar het toilet,
ik ben zo –

terug samen,
toevallig,
schijnbaar uit het niets,
aan eenzelfde tafel beland.

Standaard
Zonnebloemen

Uit een litanie

(vert. van “From a Litany”, Mark Strand)

In een open veld lig ik in een put die ik ooit spitte en ik prijs de hemel.
Ik prijs de wolken die lijken op longen vol licht.
Ik prijs de uil die me wil bewonen en de valk die dat niet wil.
Ik prijs de razende muis en het geduld van de wolf.
Ik prijs de hond die onder de mensen leeft en nooit een van hen zal zijn.
Ik prijs de walvis die leeft onder koude lakens van zout.
Ik prijs de formaties van kwallen, de gewelven van koralen.
Ik prijs de geslotenheid van deuren, de openheid van ramen.
Ik prijs de diepte van kleerkasten.
Ik prijs de wind, haar rijzende generaties van lucht.
Ik prijs de boom op wiens takken de Haan van Portugal en de Haan van Polen zullen pronken.
Ik prijs de palmbomen in Rio en nog andere die zullen groeien in Londen.
Ik prijs de tuiniers, de wormen en de kleine planten die elkaar zullen prijzen.
Ik prijs de zoete bessen van Georgetown Maine, en het lied van de witkeelgors.
Ik prijs de dichters van Waverly Place en Eleventh Street, en de man wiens botten verkleuren tot donker smaragd wanneer hij zich opricht in de wind.
Ik prijs de klokken die in één dag jong of net oud maken.
Ik prijs elke vorm van schaduw, of ik haar nu zie of niet.
Ik prijs alle daken, van het waterig dak van de vijver tot het scheef dak van het gemeentehuis.
Ik prijs hen die van hun lichamen ambassades van vlees hebben gemaakt.
Ik prijs de mislukkingen van hen met ambitie, de auteurs van blaadjes en boekjes over niets.
Ik prijs de maan die mannen laat lijden.
Ik prijs de zon en loof haar.
Ik prijs de pijn van hergeboorte en het genot van verval.
Ik prijs alles of niets want dingen zijn prijsloos.
Ik prijs mezelf voor de manier waarop ik een spade gebruik en ik prijs de spade.
Ik prijs deze lof die me herboren zal laten worden.
Ik prijs de ochtend die me met zon bestraalt.
Ik prijs de avond wiens zoon ik ben.

Standaard
Zonnebloemen

Kamer 17

Gervaso liet de hoteldeur zacht in het slot vallen.

Hotel Acacia, kamer met ontbijt, zeven nachten. Dit zou het dus worden.

De muren waren in een inspiratieloos mauve gesaust, terwijl de beddenlakens, waarschijnlijk gekocht om dezelfde tint te benaderen, door herhaaldelijk wassen een iets lichtere tint hadden gekregen. Dunne muurtjes waar je elk moment verwachten een mannenhoofd te zien worden doorgeklopt, of een hamer, of een pikhouweel. Het bed zelf lag in de lengte tegen de linkerwand, met aan het voeteneind een vierkant tafeltje van goedkoop hout en aan het hoofdeind een kast met rode kwastjes aan de deurhendels. Het tafeltje zou hij straks wel zien te verschuiven.

Aan de rechterkant van de kamer stonden de gevraagde twee stoelen. Niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. “Ik wil graag twee stoelen en een tafeltje,” had hij telefonisch geantwoord op de vraag of hij speciale wensen had. Dat kon geen probleem zijn. Het feit dat het hotelpersoneel de drie objecten in een dergelijke onfunctionele en onlogische orde had opgesteld voor zijn aankomst, vond hij charmant. De kamer leek een schuifpuzzel waar het figuurtje nog moest worden goedgeschoven. Waarom had hij ook verwacht de twee stoelen aan weerszijden van het tafeltje aan te treffen? Hij was gevoelig voor geometrische effecten. Visualisering en valse autosuggestie. Misschien wou het hotelpersoneel, uit privaatoverwegingen, ook gewoon geen tête-à-tête-betekenis veronderstellen.

Gervaso plaatste zijn valies ook aan de rechterkant, naast de stoelen, als om de kamer in haar provisoire compositie alsnog enige balans te verlenen. Dan liep hij naar het smalle, vensterbankloze raam dat uitgaf op een lege parking, om tot zijn genoegen vast te stellen dat er bijna niets bewoog. Enkel aan de hemel gleed traag een boeing naar beneden, als een druppel lood op de onderkant van een gekromde plaat.

Standaard