Zonnebloemen

Kamer 17

Gervaso liet de hoteldeur zacht in het slot vallen.

Hotel Acacia, kamer met ontbijt, zeven nachten. Dit zou het dus worden.

De muren waren in een inspiratieloos mauve gesaust, terwijl de beddenlakens, waarschijnlijk gekocht om dezelfde tint te benaderen, door herhaaldelijk wassen een iets lichtere tint hadden gekregen. Dunne muurtjes waar je elk moment verwachten een mannenhoofd te zien worden doorgeklopt, of een hamer, of een pikhouweel. Het bed zelf lag in de lengte tegen de linkerwand, met aan het voeteneind een vierkant tafeltje van goedkoop hout en aan het hoofdeind een kast met rode kwastjes aan de deurhendels. Het tafeltje zou hij straks wel zien te verschuiven.

Aan de rechterkant van de kamer stonden de gevraagde twee stoelen. Niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. “Ik wil graag twee stoelen en een tafeltje,” had hij telefonisch geantwoord op de vraag of hij speciale wensen had. Dat kon geen probleem zijn. Het feit dat het hotelpersoneel de drie objecten in een dergelijke onfunctionele en onlogische orde had opgesteld voor zijn aankomst, vond hij charmant. De kamer leek een schuifpuzzel waar het figuurtje nog moest worden goedgeschoven. Waarom had hij ook verwacht de twee stoelen aan weerszijden van het tafeltje aan te treffen? Hij was gevoelig voor geometrische effecten. Visualisering en valse autosuggestie. Misschien wou het hotelpersoneel, uit privaatoverwegingen, ook gewoon geen tête-à-tête-betekenis veronderstellen.

Gervaso plaatste zijn valies ook aan de rechterkant, naast de stoelen, als om de kamer in haar provisoire compositie alsnog enige balans te verlenen. Dan liep hij naar het smalle, vensterbankloze raam dat uitgaf op een lege parking, om tot zijn genoegen vast te stellen dat er bijna niets bewoog. Enkel aan de hemel gleed traag een boeing naar beneden, als een druppel lood op de onderkant van een gekromde plaat.

Standaard
proza

De man met de reigerbek

Hoe minder ik te zeggen heb, hoe sterker de drang wordt om te schrijven. Ik draag een boek in mij, maar het is wellicht weer een soort schijnzwangerschap, een opgeblazen malaise. Steeds weer zwaait mijn sikkel over de donkere oceanen van mijn planeet. Een droeve hysterie. Veel meer dan wat schuim spat er niet op mijn zeisblad. Op mijn stranden spoelt niets bruikbaars aan. Ik wandel er vaak met mijn blote tenen tussen de zandkorrels en de scherpe stukjes spinulaschelpen. Dan ga ik wanhopig op zoek naar een bruikbaar element. Vandaag rol ik een natgeweekt tapijt open in de hoop een geheim te vinden.

“Wie een geheim verklapt, verdient de strop,” zei de meter van een vriend me eens. Het ging bergaf met haar in die periode. Haar opinies werden snel even bitter als de jenever die ze dronk. Ik ging haar vaak bezoeken ook als hij niet mee was. Ze dacht naar het einde toe dat ik en niet hem haar kleinzoon was. Toen ze stierf, schonk ze me dan ook haar dagboeken, die ik nu pagina na pagina tot mij neem als was het een apocrief evangelie. Dertien februari 2010: “De zon hangt in de lucht als een vuurbol, maar toch is het koud. Mijn hoofd draait. Ik moet dwars liggen. In de zetel scherm ik de zon af met mijn hand, maar het licht straalt er dwars door heen.” Doordat haar waarnemingsvermogen is doordrongen van een onbegrijpbaar besef van sterfelijkheid, krijgen haar zinnen een bijbelse weerklank.

Tot mijn grote verbazing verandert haar dagboek plots van toon na 21 augustus 2011. Op die dag moet ze een bovennatuurlijk ervaring gehad hebben, waar ze evenwel nooit rechtstreeks naar verwijst. Ze begint te vertellen over de lotgevallen van een mysterieuze man “met de bek van een reiger” die als held fungeert in een soort science fiction-novelle, waar zij dan zelf naar voren treedt als één van de anti-helden. 18 november 2011: “Sandor [de reigerman die ik eerder vermeldde] hield er niet van als een maitresse ’s ochtends, wanneer hij nog lag wakker te worden, tussen zijn onderbroeken scharrelde. Dat deden ze vaak. Vooral met zijn vuil ondergoed. “Stop daarmee, Sandrine,” zei hij op zo’n moment, “als je geld wil, wel mijn broek ligt op de vensterbank. In de zijzak zitten nog een paar franken. Koop er maar wat kaugomballen mee bij Jacqueline. Je adem stinkt nog naar de wijn van gisteren.” De minnares fronste verontwaardigd haar wenkbrauwen, maar stiekem genoot ze van dergelijke berispingen.” Ik hield van deze passage. Elk fragment, maar dit fragment in het bijzonder, leek te puren uit waargebeurde episodes. Alsof ze al haar herinneringen nog een laatste keer wou doen opleven in een totaal vervreemdende setting. Sandor, de jonge reiger, was de tragische held die altijd net te laat kwam bij zijn reddingen. Hij lag de meerendeel van het verhaal in bed met één of meerdere hoertjes, die hij entertainde met valse versies van zijn heldendaden. Een speciale rol in het verhaal was weggelegd voor de oudere Phage, (naar ik vermoedde dus het alter ego van mijn vriend’s grootmoeder), die ernaar snakte om door de reiger net niet op tijd te worden gered, en onder een stervende appelboom in zijn gespierde pluimarmen haar laatste adem uit te blazen. Het was niet duidelijk of de reiger met al zijn minaressen een personage was dat enkel in het hoofd van Phage bestond, of of hij echt haar vertelwereld bewoonde. Hoe het ook zij, ik vond dat het verhaal het in zich had om een goed verhaal te worden. Geen wereldliteratuur, maar wel gewoon een goed verhaal. Het bezat de geladen epiek van een Calvino, de postmoderne kwinkslag van een Cortazar, het femministisch prikkelende van een Atwood, en speelde haasje-over met de realiteit zoals in een rijpe Ballard of een Philip K. Dick.

Ik heb het verhaal nu bijna integraal (op tien dagboekpagina’s na) overgetypt in Times New Roman 12, en kom uit op een bemoedigende 79 pagina’s. Ik worstel dagelijks met de existentiële vraag of ik het verhaal mag opsturen naar een uitgeverij. Nu ik haar dagboeken heb geërfd, bezit ik dan ook de inhoud van haar geschriften? Het boek is genialer geworden dan ik ooit had durven hopen. Ik ben er stellig van overtuigd dat ik nooit een boek zal schrijven dat qua literaire kwaliteiten in de buurt komt van wat mijn vriend’s grootmoeder in haar stervensvisioenen heeft te schrift gesteld. Het lijkt me dan ook maar normaal dat ik haar verhaal voor mezelf houd, zelfs al is de oude vrouw op zich ook weer een personage dat enkel in mijn verbeelding bestaat.

Ik denk dat ik haar enkel op deze manier eer aan doe, en haar enkele centimeters richting de grassige afgrond van de Realiteit duw.

Standaard
Zonnebloemen

Reis

(dit is een vertaling van een fragment van het kortverhaal “Viaggio”, uit de in 1980 verschenen bundel “Altri libertini” van Pier Vittorio Tondelli)

De nacht is dolen en op de vlucht slaan over de wegen van Emilia om alles uit te razen wat ik in mij heb, de nacht betekent eenzaam rondrijden met mijn gedachten op de velden gericht, mijn hoofd laten vollopen met verhalen omdat ik zo tot rust kom, zoals wanneer ik op de piazza het volk bespied dat passeert en elkaar het hof maakt en in de lucht staart, met al hun fantasieën in en over elkaar heen, hoe ze het toch volhouden. Nu gewoon verderbollen, de auto gaat waar hij heen wil, op- en neerwaarts over de Emiliaanse baan de heuvels en de bergen tegemoet, of richting de rivieren en de weilanden en de rietvelden. Dan tussen Reggio en Parma de duizeligheid laten varen en het aantal bars langs de weg proberen te tellen, ook de bars binnenin de discotheken en de dancings nu het toch augustus is en ze zelfs de veranda’s hebben open gelaten om beter van de muggen te kunnen genieten en van de vette mestgeur op de akkers. Langs de Emiliaanse baan staan er een heleboel verlichte pijlen en borden, brede parkings en tot slot ook cementen gebouwen met neonviolet en oranje spots en halogeenlampen die zich oprichten en heen en weer buigen zodat hun lichtkegels hoog in de hemel samenkomen en het lijkt wel Broadway of Sunset Boulevard in een van die goeie nachten met magnetische diva’s, regisseurs en grote mythes. Ik tel eenentwintig bars maar net voor ik Parma binnenrijd zit ik al aan drieendertig, mijn spel gaat nergens heen, maar uiteindelijk heeft het niet zoveel belang.

’s Ochtends om zeven uur kwart maakt Gigi me wakker, hij heeft blijkbaar het groot lot gewonnen, een verre nonkel is bereid hem drie miljoen lire te lenen aan zeven percent, af te betalen vanaf de derde maand. Hij denkt al aan een reis naar India, naar Bombay, daar alles te kopen wat er te kopen valt om vervolgens terug te keren naar Italie. In niet meer dan tien-vijftien dagen worden de drie miljoen zo zeven of acht door alles wat hij heeft aangeschaft aan het dubbele van de prijs weer door te verkopen. Ik heb nee gezegd. Daarna is hij vertrokken. Ik heb een halve fles gin tot mij moeten nemen om weer in slaap te vallen, en dan was het al ongeveer negen uur. Ik weet nog dat ik in de keuken het uur heb gecontroleerd toen ik nog eens opstond om de telefoon op te nemen, een paar minuten, echt niet meer, en ik lag al weer te slapen. De hele morgen heeft Gigi me zot gemaakt met zijn Bombaygedoe, tot hij rond de middag weer belde en dat telefoontje was werkelijk de laatste druppel. Ik heb onafgebroken gevloekt tot hij ophing, maar hij kwam al weer opdagen een uurtje later. Ditmaal had hij een goedkope chartervlucht gevonden die vertrok uit Amsterdam aan zowat de helft van de prijs in vergelijking met die van Alitalia. Er was wel wat denkwerk aan te pas gekomen om de winstmarge te berekenen met douanekosten indachtig en al het heen en weer gereken met de Hollandse gulden. Het verhaaltje begon me te boeien, maar het heeft niet lang geduurd, exact de tijd die Gigi nodig had om te beseffen dat hij al twee dagen blut was. Hij is bleek geworden, dan paalwit, ik werd bang en ben dan maar naar de spoed gelopen om de assistent van wacht te vragen hem te komen inspuiten. Over de drie miljoen werd met geen woord meer gerept, Gigi is eerst ingedut terwijl hij met een glazen kettinkje lag te spelen, heeft dan mijn sigaretten opgerookt en toen ik weg ging lag hij op de gitaar te tokkelen.

Standaard
Milan, News

Italian pants-free riders arrested for public indecency

The Milanese version of the 2012 “No Pants Subway Ride” was forcedly called to a halt by the local tube army, little more than half an hour after the event kicked off.

Police intervention was needed, so the police officer in charge said, after they had received “thousands of phone calls” from offended Italian travelers (a number that was later toned down to fifty). Ten of the pants-free riders were eventually caught and subsequently taken to an underground concrete office cell normally reserved for clumsy pickpocket-thieves and fare-beaters, while the others waited outside the cell (most of them with their pants on).

Who (if any) actually called the police, is unclear. It is hardly believable, though; that Italians, very much used to TV-shows featuring heavily underdressed females and street ads with Goliath-seized soccer players in Dolce&Gabbana underwear, should take a dislike in some naked legs. In fact: few hours after the preciously aborted flash mob, both the web version of “La Repubblica” and “Corriere della Sera” scoop with a 15-page photo-series of the event, only vaguely referring to the arrest of the very same ladies and gentlemen.

After the eventual release of the arrested group, it has been stressed by the officer – also seemingly embarrassed by the whole situation -,  that no eventual charges will be pressed against them.

The “No Pants Subway Ride” wants to turn an everyday habit into a tangible metaphor of social awkwardness, and shows that breaking social habits does not have to equal breaking laws of society. The reaction of the metro security in Milan also shows, however; that some authorities still have troubles identifying irony, and that they cannot cope with harmless forms of subversion.

Standaard
Zonnebloemen

Wat woorden zonder meer (oefening baart kunst?)

Enkele voornemens: vanaf 2012 maximaal 4 expresso’s per dag, nooit meer melk kopen met plastik sluitdopjes, altijd en overal de wc-bril afkuisen (ook als ik hem niet zelf heb bevuild: wie een stront werpe voor een ander etc)

Ik wil alles wat ik ooit geschreven heb bijeenschrapen en door een worstmachine persen. Saucisse esquisse, te serveren met een blokje gestoofde rooie kool en een deftige tokaj. Of er een grote omelet van maken. Ik word sterrenkok. In de jury zitten de gevestigde waarden van ons literatair taalgebied, bestaand uit omhooggevallen leraars, omlaaggevallen academici en aanmodderend spatbordtalent.  “Dat noem ik geen literatuur meer,” zegt de eerste, “te veel doorbakken, te weinig substantie. Ik mis personages en plot. Te zelfreflexief, te metanarratief.” Maar tegelijk zit hij wel te eten, de kleine vreter, hij vreet al mijn zinnetjes op, dept zijn kin af met een A4-afdruk van dit eigenste verhaal.

Eigenlijk is alles wat ik doe een metafoor nemen en die pastagewijs om mijn vork opkrullen tot een hapklare krulspeld. Ik had me willen voornemen om bij aanvang van 2012 geen metaforen meer te gebruiken. Gewoon de heuvel af en zonder krukken de nacht in. Hou ik nog iets over? Ik bedoel: hou ik nog iets wezenlijks te vertellen over? Poëzie begin ik ook te verleren. Ik heb er het geduld niet meer voor. Ik wil werken aan een nieuwe verhaalvorm; iets wat spitser en korter is dan een kortverhaal, minder dwingend maatschappijkritisch dan de column, minder lauwe-melkachtig fait divers dan het cursiefje. Een uitdaging voor onze hyperlinknerveuze muisvinger. Een pauze, een stasis in de tijdstroom. Een digitaal plaklint voor onze vliegenpotenwimpers.

Standaard
Zonnebloemen

Altijd amaretto

Castagnetta Cucchetta verhuisde sneller dan haar eigen huishuur. Met een Géricoultiaans rampspoor van valse geliefden, onuitbetaalde huisbazen, en bedrogen schriftvervalsers in haar sleepspoor, was ze ditmaal in een pand beland achter het oude station van Lambrate, net waar de trillende kabelbus 93 zijn draai nam. Stilaan waren we de poëtische onregelmatigheid van haar huisfeestjes beginnen gebruiken als tijdskalender: elk feest was de eerste dag van een nieuwe psychologische maandeenheid en betekende een mogelijke (en waarschijnlijke) rennovering van ieders vriendenkring. Nieuwe handen om te drukken, nieuwe lippen om te lezen, nieuwe ogen om te doorgronden, nieuwe gsm-nummers om wellicht nooit te bellen; nieuw nieuwer niets, en het verleden lag altijd nog ergens tussen de ongeleegde asbakken en het verdroog brood in haar vorige huizen.

Ik tikte mijn eerste glas prosecco aan met ene Didier, designer met baard, antilopekleurig brilletje en een volledig gebrek aan visie. “Ik ben designer,” had hij gezegd toen ik hem vroeg wat hem dreef in de stad. Toen liet hij twee seconden stilte. Moest er iets tot mij doordringen misschien? Ik ben designer. Tja, en ik ben strontraper achter de paardenkar. Je kon hier nom de dieu de straten leggen met de designers en de stilisten, en het asfalt pletten met hun talentloosheid. Ik wachte vol spanning op de eerste dag dat iemand zich aan me zou voorstellen als bouwvakker of naaister. Het gesprek evolueerde zich kwalijk richting gimmick en we gingen, zonder de ander te scandaliseren, gewoon uit elkaar. Dat kon op dergelijke feestjes. Als een spelletje dokter bibber: orgaantjes uit elkaar halen tot het begint te tuten. Daar wordt het interessant.

Zo kwam ik Gianni tegen in de badkamer. Het bad zelf was très Bertolucci, een marsepeingroene vloot met leeuwenpootjes, en daarin lag hij, één been over de rand geslagen, als een rozenvampier met kerstmantel in zijn kist. Ik zag dat hij aantekeningen maakte, waarschijnlijk over de voorbijglijdende avond. Hij was geen volledig onbekende. We hadden elkaar eens eerder ontmoet in Berlijn. Net als bij mij was zijn hoofd een losgeslagen kernprojector die mogelijke zinnen spuwde met de snelheid van drie stroboscoopbeelden per seconde. De enige manier om niets te vergeten, was alles meteen op te schrijven. Was dat niet ergens een beetje ziekelijk? Ik ging op de badrand zitten.

“Wat schrijf je?” “Een kerstverhaal,” zei hij, “met de kerstman in de hoofdrol.” En als wij een gesprek voerden dan ging dat ongeveer zo: “De kerstman wordt een dubbelzinnig personage. Volgens mij is de kerstman een vuilaard.” “Hij mishandelt zijn herten.” “Ja, en hij sluit ze op in kleine kooien, ververst hun stro niet, vergeet hen eten te geven.” “En hij drinkt.” “En stinkt uit zijn bek. Naar koffie.” “Hij poetst zijn tanden niet. Er kleven taartstukken in zijn baard.” “En hij heeft een eskimokuisvrouwtje dat hij uitbuit. Ze boent de vloer met een schaapsmagen zeemvel en slaapt in een houten bak bij de herten.” “Ja, en hij heeft een buitenechtelijk kind dat hij opsluit in zijn kelder!” “Dat verklaart zijn obsessie met kinderen en cadeautjes!” “Hij houdt van alle kinderen behalve zijn eigen monsterlijke offspring!” En zo kwamen we weer op een trauma-idee uit waar litatuurwetenschappers hun suikerstok op konden kapotbijten.

Toen we samen de salon weer binnenkwamen was het volk plots verdubbeld, de kamer leek gefotoshopt en de kleuren waren roder, groener, een discolamp zwaaide sireneachtig, de boxen knalden “In for the Kill” van LaRoux. Er had zich wat lui verzameld rond de kerstboom, waar de pakjes als brandhout klaarlagen. In een ander hoekje herkende ik Anna met de Pools-Spaanse saxofoniste Mirò, wat verderop stond iedereens undercover lover Vinny “turn my Vinyl” Vinini, dan de Roemeen Andrei die furore maakte met zijn karaoke van dragosta din tei, Fabio “Barbarossa” di Gruso met zijn getormenteerde mijnwerkersblik, en meer gezichten die ik herkende, of die zich hadden geschoren of geschminkt en nu op andere mensen begonnen te lijken, doppelgangers, effigiën, manakin. Ik vroeg Anna en Mirò of ze Castagnetta gezien hadden, toen er werd aangebeld. Een postkoerier met een express bestelling. Hij rolde een enorm pak binnen, waar opstond “voor Castagnetta” en “opgepast: breekbaar (hart?)” en “wie me opent mag me hebben” en toen Vinny het verpakpapier los scheurde en het karton verknipte, stapte uit het pak plots Castagnetta Cucchetta zelf tevoorschijn.

Haar ijdelheid maakte me plots ziek, iedereen begon te lachen en te applaudisseren, maar ik wou plots weg, weg van dit circus, de trap af en twee minuten later zat ik in een taxi richting my home sweet home, ik wou iets gaan schrijven dat vrij was van onzin en opgeblazen toneeltjes, met echte mensen van bloed en botten en niet van kerstmarspein, zoals de taxichauffeur bijvoorbeeld, met zijn dikke nek, militaire crewcut en donkerwit hoorapparaat. Ik wou vragen of hij Santa wou spelen in mijn kerstfilm, maar taxichauffeurs dienden met rust gelaten te worden. Ze brachten mensen naar huis, zelfs als het allemaal niets meer uitmaakte. De stad verdween achter gebruind glas, zijn zetels roken naar amaretto; een digestief voor de nacht.

Standaard